Hoe gaan we om met elkaar?


Inleiding: 
We hebben ons als doel gesteld: ‘Kinderen in een veilige, vertrouwde omgeving begeleiden bij de ontwikkeling van hun eigen mogelijkheden’.
Goed onderwijs kun je alleen geven aan kinderen die met plezier naar school gaan. De sfeer op school moet daarom goed zijn en de kinderen moeten zich veilig en geborgen weten. Vandaar, dat we in overleg met kinderen en ouders de volgende afspraken hebben gemaakt:
* PESTEN IS VERBODEN.
* WE LETTEN OP ONS TAALGEBRUIK.
* WE BLIJVEN VAN ELKAARS SPULLEN AF.
* WE HEBBEN RESPECT VOOR ELKAAR.
* EERST DENKEN, DAN PAS DOEN.
* WE PRATEN REGELMATIG MET ELKAAR OVER DEZE AFSPRAKEN.
 
Bovenstaande hoofdregels zijn zichtbaar gemaakt middels een aantal posters, die centraal in de school zijn opgehangen.
Voor elke groep zijn meer specifieke klas­senregels opgesteld.
Deze regels betreffen de gang van zaken in de diverse groepen.


Algemeen:
We werken sinds het schooljaar 2007/2008 met de kanjertraining.
Alle leerkrachten hebben hiervoor scholing gevolgd en zijn gecertificeerd.
Het voortgezet onderwijs heeft aangegeven hierop te willen aansluiten en is voornemens om de kanjertrainingen ook in hun scholen in te voeren.
 
Doel:
Alle leerlingen op onze school volgen de lessen van de kanjertraining.
We willen onze leerlingen leren om (beter) voor zichzelf op te komen en/of beter met anderen om te gaan.
De kinderen leren hoe ze op een juiste manier kunnen reageren in conflictsituaties.
Dit gebeurt vooral met behulp van rollenspelen en vertrouwensoefeningen.
 
De doelen van de kanjertraining zijn, dat kinderen:
-      zichzelf goed kunnen voorstellen;
-      positief denken over zichzelf;
-      kunnen zeggen: er zijn mensen die van mij houden;
-      kunnen zeggen: niet iedereen is een vriendin of een vriend van mij, en dat hoort zo;
-      zich kunnen voornemen te luisteren naar kritiek;
-      zich kunnen voornemen in vervelende situaties te vertellen wat hun dwars zit
           en hoe dat kan veranderen;
-      hun schouders kunnen ophalen als iemand met opzet blijft pesten en denken:
           die is niet wijzer, daar heb je weer zo’n pestkop;
-      maatregelen kunnen nemen als ze worden lastig gevallen: dan ga ik het nooit alleen oplossen;
-      weten dat ze altijd steun kunnen zoeken, bij vrienden,ouders of een leerkracht;
De kanjertraining heeft als doel dat een kind positief over zichzelf en anderen leert denken.
 
Inhoud kanjertraining
De kanjertraining bestaat uit 10 thema’s per schooljaar.
Elke maand komt er een ander thema aan bod. 
De thema’s zijn:
1.     Jezelf voorstellen
2.     Iets aardigs zeggen
3.     Weet jij hoe je je voelt?
4.     Kun jij nee zeggen?
5.     Luisteren en vertellen
6.     Luisteren en samenwerken
7.     Vriendschap
8.     Vragen stellen
9.     Je mening vertellen, maar… niet altijd
10.   De laatste les…
 
Naast de ingeplande kanjerlessen, komt de kanjertraining ook tijdens andere lessen regelmatig aan de orde.
 
Bij het verlaten van de basisschool krijgen de leerlingen 'een certificaat', als bewijs van het volgen van de kanjertraining.
 
Regels
Bij de kanjerlessen horen een aantal regels.
Deze regels worden elke keer aan het begin van de les besproken. In elke klas hangt een poster van de kanjertraining en (als symbool) de verschillende petten.
Door het handhaven van de regels wordt ernaar gestreefd dat ieder kind zich veilig voelt in de groep.
 
Wat doen we bij conflicten:
Bij de kanjertraining horen een aantal afspraken die we gebruiken bij conflictsituaties:
* We leren de kinderen dat ze in eerste instantie bij een vervelende situatie zelf een oplossing zoeken.
* Wordt een leerling bijvoorbeeld gepest, dan kan hij/zij op de volgende manier reageren:
   Het kind steekt zijn hand naar voren en roept ‘Stop Hou op!’
* Wordt er niet geluisterd door ‘de pestvogel’, dan wordt er een beroep gedaan op de leerkracht.
* Blijft ‘de pestvogel’ vervolgens toch doorgaan, dan wordt er een passende maatregel getroffen door de groepsleerkracht.
* Indien nodig worden ouders hierbij betrokken.
 
 
Uitleg petten/gedrag
In de Kanjertraining staan vier dierfiguren centraal, die ieder gekoppeld worden aan een kleur pet.
De pestvogel vindt zichzelf heel wat en wil altijd de baas spelen. Andere kinderen zijn in de ogen van de pestvogel niets waard en ze kunnen maar beter naar hem of haar luisteren. Bij dit gedrag hoort de zwarte pet.
De aap doet overal lacherig over en neemt niets of niemand serieus. Hij probeert de lachers op zijn hand te krijgen en vrienden te worden met de pestvogel om zo niet zelf gepest te worden. Bij het gedrag van de aap hoort de rode pet.
Het konijn is vaak bang en valt het liefst zo min mogelijk op. Het komt bijna niet voor zichzelf op en wordt vaak gepest. Het konijn kruipt vaak weg in een hoekje. Bij het gedrag van het konijn hoort de gele pet.
De tijger doet normaal en gedraagt zich als een kanjer. Hij komt voor zichzelf op zonder anderen bang te maken. De tijger geeft zijn mening, komt uit voor zijn gevoel en neemt anderen en zichzelf serieus.
Het gedrag van de tijger wordt gekoppeld aan de witte pet.
 
 
 
Onderstaand gedicht is geschreven door een kind.

'Welke pet zal ik nu op hebben?
gele witten roden of zwarten
nee ik heb een hele aparte
hij is soms een beetje rood
wand mijn mondje is soms ook wel groot
en dan is het bij mijn
ook wel een beetje een gele
wand ik ben afentoe
soms wel eens verlegen
maarjah dat is altijd
maar voor heel even
voor de rest is hij helemaal wit
omdat er ook wel een
kanjer in mijn zit
ieder mens heeft een andere pet
omdat iedereen anders op is gezet.'


27/01/2009